zondag 30 november 2014

De legende van de vleespasteitjes van Antonio Arnache

Het was in de tijd van hertogin Maria van Bourgondië, dat op de hoek van de Kelkstraat in Brugge, recht tegenover het statige herenhuis “De zeven torentjes”, een Italiaanse pasteibakker woonde, Antonio Arnache geheten. Hij was tot ver buiten Brugge bekend voor de beste vleespasteitjes van de stad.  Van heinde en ver kwam iedereen – althans diegenen die het zich konden veroorloven, want hij was niet goedkoop - bij hem pasteitjes kopen.  Ze waren een geliefkoosd hapje op de feestjes van de rijke dames en kasteelheren.


De vleespasteitjes van Antonio Arnache

Niemand kende het geheim achter het recept van deze lekkernijen en Arnache was ook niet meteen bereid dit aan de openbaarheid prijs te geven. Hoe zou je zelf zijn…?

Het gerucht van de lekkere vleespasteitjes was ook de hertogin ter ore gekomen en ze behoorde ook tot zijn regelmatige klanten. Haar kok was niet weinig jaloers toen ze beweerde dat signore Arnache veel betere pasteitjes kon maken dan hij. Daarom trok hij op een dag zijn stoute schoenen aan en ging, zogezegd in opdracht van de hertogin, bij Arnache om het recept vragen.

Omdat je een hertogin natuurlijk niets kan weigeren fluisterde hij, zeer tegen zijn zin, enkele onduidelijke ingrediënten in het oor van de kok. Veel wijzer werd deze er niet van. Hoe hij ook probeerde, hij slaagde er maar niet in om de smaak van de vleespasteitjes van Arnache te evenaren. Hij had er zelfs slapeloze nachten van...

Op een dag kwam de bekende Italiaanse valkenier Orlandini op uitnodiging van Maria van Bourgondië naar Brugge. De hertogin was dol op valkenjacht en ze had gehoord van Orlandini die een meester was in het africhten van valken en sperwers. Ze bestelde een aantal jachtvalken en maakte met hem een afspraak om vanuit het kasteel van Male te gaan jagen. Maar Orlandini daagde die ochtend niet op. Hoe kon die vermaledijde Italiaan het in zijn hoofd halen om de hertogin urenlang te laten wachten. Ze werd er bloednerveus van.

Nog diezelfde dag zond ze haar dienstknechten uit om signore Angelo Orlandini te zoeken. Overal in de stad werd naar hem gezocht. Nergens was er een spoor van hem te bespeuren. Ook in zijn verblijfplaats was hij niet. Zelfs zijn dienaars en gezellen waren in de overtuiging dat hij vroeg in de ochtend naar het kasteel van Male vertrokken was.

Een kreupele bedelaar, die dagelijks aan de poort van de Sint-Donaaskerk zat, wist te vertellen dat een Italiaanse heer een geldstuk in zijn bedelnap had gegooid, dan in de richting van het huis De Zeven Torentjes was gestapt en binnengegaan was bij de pasteibakkerij van Arnache. Dat was het enige spoor dat men had.

Daarom beval de schout van Brugge, tot ontsteltenis van de pasteibakker,  een huiszoeking. Ze doorzochten alle hoeken en kanten van zijn huis maar van Orlandini was geen spoor te bekennen.  Ze waren al bijna allemaal weer weg toen de laatste wapenknecht  lichtspleten zag in de plankenvloer en de schout beval om het luik open te maken. Arnache smeekte dit niet te doen omdat hij daar zijn geheim bewaarde en zijn pasteitjes maakte.

De schout wou echter van geen lievemoederen weten en liet het luik openbreken. Toen een dienaar in de kelder afdaalde hoorde men een kreet van afschuw! Op een lang, houten werkblad lag het bebloede, versneden lijk van een man. Aan het hoofd was Orlandini te herkennen.

Wanneer de kelders en de tuin van het huis verder werden onderzocht ontdekte men verschillende lijken, de meesten vrouwen.  Er was ook een valluik voor de toog waar de nietsvermoedende slachtoffers van Arnache door vielen. Hij gebruikte namelijk al jaren mensenvlees om de speciale smaak van zijn pasteitjes te verkrijgen.

Hij werd samen met zijn vrouw gearresteerd en opgesloten in het Steen. Er was een grote menigte op de Burg verzameld toen ze beiden werden opgeknoopt.  Alleen de rijke klanten die dweepten met de vleespasteitjes van Arnache bleven vol afschuw aanwezig.

En de kok van de hertogin? Die zei dat hij altijd geweten had dat hij beter was dan Arnache…



Het huis de Zeven Torentjes.

Het huis de Zeven Torentjes, één van de grootste patriciërshuizen van het middeleeuwse Brugge, werd in het begin van de 14de eeuw gebouwd in opdracht van Wouter Bonin van den Gapere, heer van Meulebeke, maar gaat terug op een 13deeeuws complex in Scheldegotiek waarvan de bouwsporen op de zijgevel getuigen.

Op deze plaats aan de Hoogstraat in Brugge lagen oorspronkelijk drie afzonderlijke panden, met tuinen die doorliepen tot aan de Groenerei. Het ging om de panden 'Zeven Torens', 'Casselberg' en ''t Fransch Schild'.


Tijdens de bouw van het stadhuis op de Burg deed dit pand dienst als vergaderruimte voor de schepenen. Dankzij enkele iconografische bronnen, waaronder Sanderus ‘Flandria Illustrata’ (1641), en de bewaarde gevelonderdelen is de middeleeuwse toestand van het huis de Zeven Torens goed gekend. Tot in 1717 was het pand bekroond met een omlopende borstwering en zeven sierlijke erkertorentjes.

Het huis De Zeven Torens (nr. 8) vormt het oudste deel van het complex. Volgens bouwhistorisch onderzoek is het pand vanaf de 13de eeuw in verschillende fasen tot stand gekomen. Het hoekpand 'Casselberg' is een imposant herenhuis, waarvan de oudste kern teruggaat tot de 15de eeuw. Huis 't Fransche Schild is een breedhuis dat vóór 1562 bij 'De Zeven Torens' werd gevoegd. Links bevindt zich een monumentale poort die oorspronkelijk was voorzien van deurnaald met jaartal 1723 op.

Het huis, dat een grote bewondering afdwong, komt voor op het schilderij van Pieter Claeissens ”De zeven wonderen van Brugge” (1560). Het is de enige privéwoning die prominent in het midden staat tussen andere bekende publieke gebouwen als het belfort, de OLV-kerk en de Poortersloge.


 Pieter Claeissens ”De zeven wonderen van Brugge” (1560)

In 1560 werd het huis De Zeven Torentjes eigendom van de Spaanse handelaar Juan Lopez Gallo, de zaakgelastigde van de Spaanse koning in Brugge. Hij had ook al het kasteel van Male gekocht van de Spaanse vorst Filips II. Misschien was hij wel de opdrachtgever van het schilderij van Claeissens.


Het statige herenhuis komt ook voor op de kaart van Marcus Gerards uit 1562. De familie Gallo bleef eigenaar tot eind 17de eeuw waarna het verschillende keren van eigenaar veranderde.


Huis De Zeven Torentjes op de kaart van Marcus Gerards (1562)


In 1717 werden de vervallen torentjes en de borstwering verwijderd.
In 1908 werd het gebouw aangekocht door de Belgische Staat als bedrijfsgebouw voor de RTT. Deze panden werden in 1974 beschermd als monument. Door jarenlange leegstand raakte het complex in verval. Na vele jaren leegstand, al sinds de jaren 70, werd het verbouwd tot een hotel.
Het huis De Zeven Torentjes in de Flandria Illustrata 
Sanderus, Antonius, (1586-1664) 


Recept voor Brugse vleespasteitjes

Ingrediënten:
2 vellen kant-en-klaar bladerdeeg
125 gr gekookte ham (dik gesneden)
enkele takjes peterselie
1 ui
1 ei
400 gr lamsgehakt (reeds gebakken)
3 teentjes look
peper & zout
nootmuskaat
enkele wortelen
Bereiding
-      Verwarm de oven voor op 190°C. Breng enkele aardappelen aan de kook. Snij de wortelen doormidden en hak ze fijn. Snij ook de look fijn. Doe alles in een aparte kom. Vermeng de fijngesneden wortelen en look met het gebakken gehakt.
-      Leg de bladerdeeg in de taartvorm en druk de randen goed aan. Snij de gekookte aardappelen in schijfjes en leg ze op de bodem van het bladerdeeg. Snij de gekookte ham in blokjes en strooi die over de aardappelen.
-      Hak de peterselie fijn en vermeng met de wortelen en de look. Verdeel nu alles over de aardappelen en de ham. Kruid met peper en zout.
-      Klop een ei los. Strijk de randen van het bladerdeeg in met het opgeklopte ei. Leg nu het andere vel bladerdeeg over de taartvorm. Knijp de randen rondom rond dicht. Knip het bladerdeeg dat over de randen valt af. Strijk de bovenkant van de taart in met het opgeklopte ei en rol de rest aan bladerdeeg op tot aan de rand van de taartvorm.
-      Maak tenslotte over de volledige breedte en lengte van de taart gaatjes zodat de stoom kan ontsnappen. De vleespastei gaat nu 40 min. lang in een voorverwarmde oven van 190°.


(bron: VTM, de keuken van Sofie)

vrijdag 28 november 2014

De legende van de waterduivel van de Rozenhoedkaai.

Het is een publiek geheim dat de Brugse meisjes tot ver buiten de stadsgrenzen bekend staan als de mooiste van heel Vlaanderen. Lang geleden woonde er in een huisje dicht bij de Rozenhoedkaai een meisje – Marieke was haar naam - dat nog mooier was dan alle anderen.

En ze leek ook een beetje op het Marieke die al jaren op het pleintje aan de Coupure staat. Haar lange, blonde, krullende haren vielen op haar tere schouders. Haar ogen waren blauw als korenbloemen, en ze had een glimlach om haar roze mondje waaraan niemand kon weerstaan. Ze droeg ook van die mooie belletjes in haar fijne oortjes en haar borstjes zwollen als verleidelijke appeltjes onder haar dunne lijfje.


Marieke

Ze was tot over haar oren verliefd op een al even knappe jongeman. Hij heette Claes. Ook hij hield zielsveel van haar, maar. .. zij zagen elkaar niet veel. Hij was een dichter en minnestreel die van kasteel tot kasteel trok om zijn liederen voor de mensen te zingen. Claes had haar een schijfje blauwe agaat gegeven dat hij van één van zijn verre tochten had meegebracht. Ze droeg het aan een touwtje op haar borst als teken van zijn liefde en trouw.


Het agaat juweel

Elke avond stond zijn Marieke voor haar venster, en als de zon rood achter het Belfort neerzeeg hield zij het juweeltje dicht bij haar hart en dacht zij aan haar dichter. Zij verlangde zo naar hem. Waarom bleef hij altijd zo lang weg?

In die tijd leefde in het water van de Rozenhoedkaai een waterduivel. Overdag verborg hij zich dicht tegen de bodem want op het water was het een komen en gaan van platte bootjes volgeladen met wol, laken, tapijten, specerijen, zout en groenten. Maar ’s avonds, als het donker werd, kwam hij tevoorschijn. Hij kon zijn ogen niet afhouden van dat wonderbaarlijke schepsel dat voor haar raam stond
.
In de luwte van een warme zomeravond kwam hij naar haar toe als een gouden vogel die op haar vensterbank kwam zitten. Hij toverde haar minnestreel nog mooier voor ogen dan hij al was en Marieke huiverde van liefdesverlangen
.
Kindje toch”, fluisterde hij haar in het oor, “wat is je liefje toch mooi. Wat zou je er voor geven om hem terug te zien?
O lieve vogel, alles zou ik er voor over hebben om hem nu in mijn armen te houden”, antwoordde ze.

Dat kan”,  fluisterde hij heimelijk. “Kom aan de rand van het water als de klok op het Belfort vannacht twaalf uur slaat, en geef me je juweel. Dan zal hij terstond bij jou zijn.”
Ze twijfelde, maar het verlangen naar haar Claes was groter dan haar voorzichtigheid, en dus ging ze tegen middernacht, bij het licht van een kaars, naar loopplank aan de oever van het water.

Bij de eerste slag van de torenklok rees de waterduivel uit het water achter de Bloedkapel op. Hij zweefde over de Reie en wierp zich op de schone, de lieve, de zoete ...
Toen de twaalfde slag uit de galmgaten van het Belfort over de stad neerdaalde, zeeg Marieke nee.  De baarlijke duivel had alle bloed, alle leven uit haar gezogen en met een ijselijke kreet verdween hij in de diepte.

De nachtmist dekte haar toe met een grijze lijkwade. De volgende morgen stapte Claes zodra de Gentpoort openging de stad binnen.

Hij haastte zich langs het Pandreitje naar de Rozenhoedkaai en vond Marieke beneden aan het water.  “Ach, schoon lief, waarom lig je hier te slapen?” fluisterde hij zoetjes. “Wil nu opstaan en laat ons verder gaan, dit is geen rustplaats voor een zo’n mooi meisje als jij”, zong hij zacht.

Toen scheurde de schaterlach van de Boze het mistgordijn open. Claes werd lijkbleek. Hij werd zo koud als zijn prinsesje en langzaam viel hij voorover. Zijn koude lippen op haar koude lippen.
Enige tijd later vond men hun beide verstijfde lichamen dicht bij elkaar, alsof ze elkaar hadden omarmd voor een lange reis waarvan ze nooit zouden terugkomen.

En de waterduivel? Die leeft nog altijd in het water van de Reie. En als het donker is zie je hem soms – bij het schijnsel van de verlichting – de kop boven water steken, op zoek naar mooie meisjes bij een open raam…

(vrij naar Johan Ballegeer, 100 Brugse Legenden, 1984)


De Rozenhoedkaai 


 De Rozenhoedkaai.

Zomer of winter, ochtend of avond, zon of regen…De Rozenhoedkaai heeft de betoverende kracht om altijd een verpletterende indruk te maken. Het is dan ook geen wonder dat dit al jarenlang het meest gefotografeerde plekje van Brugge is. Hier kan iedereen perfect een eigen postkaartje van Brugge kieken. De Rozenhoedkaai straalt een klasse uit en is daarom de aangewezen plaats om samen met je geliefde even een moment stil te staan en te genieten van één van Brugges meest tijdloze decors.  (bron: Brugge.be)

Eeuwenlang heeft deze straat langs de Reie de naam Zoutdijk gedragen. In 1390 werd vermeld ‘die zoutsteeghere bi den Eechoutte’. Het was dus wellicht daar dat een steiger lag waar de schepen die zout aanleverden werden gelost. Pas in de 18de eeuw kwam de Rozenhoedkaai als naam in gebruik. De reden was dat op die plek stalletjes stonden opgesteld die rozenkransen verkochten.

De kaaimuur is van vrij recente datum na WOII en vervangt een open 19deeeuwse ijzeren balustrade zoals die langs de meeste Reien te vinden waren. Op deze plaats mondde het Pandreitje uit in de Reie zodat zich hier ook een brug bevond met de naam Huidenvettersbrug.

De Rozenhoedkaai in 1898 (Beeldbank Brugge)

Het Pandreitje is gedempt in de 18de eeuw en er werd een gevangenis gebouwd op het uiteinde ervan die de naam van het verdwenen kanaaltje overgenomen heeft. In de 19de eeuw werd in het Pandreitje en de Rozenhoedkaai groentenmarkt gehouden.

Het is langs de Rozenhoedkaai dat Georges Rodenbach in zijn “Bruges-la-Morte” het hoofdpersonage in zijn verhaal deed wonen.

(bron: Uitgaven West-Vlaamse Gidsenkring, wandeling 7, door Reinoud Van Acker)


Panorama van de Rozenhoedkaai te Brugge


De waterduivel van Brugge.

Over de waterduivel van Patrick Lagrou een spannend boek geschreven.

Het verhaal:
Voor Jonas en Tobais is het feest : de grote vakantie staat voor de deur. Brugge verwacht weer heel wat bezoekers, en heel wat Bruggelingen kijken daar niet echt naar uit. De vele toeristen zorgen voor heel wat overlast, maar daar maalt de burgemeester niet echt om: veel toeristen betekent ook veel inkomsten voor de middenstand.
Op een nacht verdwijnt een jong meisje in de Reien, snel gevolgd door nog een paar andere geheimzinnige verdwijningen. Wie is die geheimzinnige figuur die hen volgt tot in de Brugse riolen?

Samen met hun vriendinnetje Steffie ontdekken Jonas en Tobias de ware aard van de vijand, maar niemand wil hen geloven. Pas als de situatie helemaal uit de hand dreigt te lopen, wordt er naar hen geluisterd. Maar dan is het misschien al te laat …

Zoals in de meeste van zijn verhalen brengt Patrick Lagrou ook hier een mengsel van realiteit en magie. Hij vertrekt vanuit een reëel thema, waarover hij zich uitstekend documenteert en waarover hij in het verhaal veel uitleg geeft. Maar dan laat hij zijn fantasie de vrije loop. Het verhaal is gebouwd als een echte thriller. Spanning staat voorop; uitdieping van karakters en emoties blijft veelal achterwege of gebeurt enkel in functie van de spanningsboog.
Het taalgebruik richt zich enkel op het verhaal,  al ruimt Patrick Lagrou hier af en toe toch ook wat plaats in voor (situatie)humor.

In dit boek lopen verschillende verhaallijnen – die op de één of andere manier toch met elkaar in verband staan – door elkaar: Bruggelingen die zich verzetten tegen toeristen, de handelaarsmaffia die oorspronkelijke Brugse panden/winkels onder dwang overneemt, de legende van de twee kloosterlingen, … Heel wat kinderen zullen dit boek als zoete koek verslinden.



leeftijd: 10+ , Uitgeverij: Clavis 

ISBN 90-448-0433-2

190 pagina’s , gebonden

woensdag 26 november 2014

De legende van de goudsmid en de beul van Brugge

Heb je ooit al eens de spoken van de Vlamingbrug gezien? Nu nog spookt het er ’s nachts. Als je het niet gelooft moet je op een donkere winteravond langs daar wandelen.

In de zomer, als de vleermuizen onder de Vlamingbrug heen en weer fladderen, zien zij die ogen hebben voor zulke zaken, de schim van een oude man achter de glas-in-lood raampjes. Het is Herman van Outvelde. Hij zoekt ijverig naar verloren gestolde gouddruppels, weggerolde parels, minuscule edelsteentjes en robijntjes ...


De erker Herman van Outvelde van foto: Emy Daelemans

In de winter echter, als de zon rood schijnsel van uit het Pottemakersstraatje op de ruitjes van de erker laat vallen, ziet men in het halfduister de forse gestalte van een krachtig gebouwde man. Zijn brutaal pokdalig gezicht kun je niet zien. Het zit verborgen onder een karmozijnen kap. Alleen uit de twee ooggaten blikkeren bloeddoorlopen ogen. Uit rood fluweel is zijn jas, zijn pofbroek en zijn mantel. Het is de “beul van Brugge”.

Amper een eeuw na Herman woonde hij hier. Hij aait een pasgeslepen blanke bijl. Haart de snede van het gerechtszwaard op de nagel van zijn duim. Voor hem op de werkbank, waar ooit het fijne goudwerkersmateriaal lag, liggen nu brandijzers en duimschroeven. Achter hem aan de muur bengelen kettingen, hand- en voetboeien, gepinde halsbanden... En over zijn schouder slingert in vijf lussen het hennep koord dat zovelen de keel toesnoerde. De wurgijzers, de vilmessen...

Van middernacht tot één uur in de morgen boent hij zijn panoplie van marteltuigen. Dan verdwijnt hij.  Slechts zijn schim is het. De echte beul is voor altijd uit Brugge weg ...
(Vrij naar de tekst van Johan Ballegeer in “100 Brugse legenden” – 1984)

Herman van Outvelde

Het huis op de hoek van de Vlamingstraat met de Vlamingbrug heeft een fraaie erker aan de zijgevel. Kennen de Bruggelingen het wel? Het prachtigste, kleinste, meest precieze bouwwerkje van Brugge?

Herman van Outvelde was een goudsmid toen hij op 18 augustus 1514 van de stad de toelating kreeg om een erker te bouwen naast de Vlamingbrug. Een erker die het schaarse licht zou opvangen.

Misschien heeft hij zelf het ontwerp getekend. Het verraadt het werk van de goudsmid, die gewoon is met filigraan en torsades om te springen. Een hele winter hebben handige steenhouwers bij het licht van kaars en olielamp lange avonden doorgebracht met steen voor steen te ciseleren, bijeen te passen en te nummeren. Een puzzel in baksteen ...
En in de volgende lente hebben de steenhouwers steen na steen uitgepakt en gemetseld  tot een juweel van   vakmanschap: de erker van Herman van Outvelde.




De geschiedenis.

Als u zich voor dit huis een beetje bukt kunt u een plaatje onderaan het venster lezen: "'t Huys van de Goudsmid / The Goldsmith's House / Anno 1514".

Wees voorzichtig met oude jaarallen die her en der in de stad te vinden zijn. Diezelfde waarschuwing geldt ook voor dit huis.  Wat moet u er van geloven?  Dat 'vermoedelijk' een goudsmid, Herman van Outvelde, hier het erkertje van dit huis gebruikte als goudsmelthok en dat grote gedeelten van het gebouw van latere datum zijn.  De lijstgevel dateert van 1741.

Toont men aan de voorgevel van dit huis graag dat hier ooit eeuwen geleden een goudsmid gewoond heeft, dan is anderzijds nergens een vermelding te vinden dat ook in ditzelfde huis, meer bepaald van 1829 tot 1856, de laatste beul van Brugge gewoond heeft.   Zijn naam was Jan-Baptist Botquin. Hij woonde hier samen met zijn vrouw Marie Aderis en nog twee bloedverwanten die hem in zijn ambt hielpen als hulpscherprechters.

Beul (of scherprechter) zijn was als het ware een familiebedrijf.  De Bo(i)tquins waren al minstens sedert het begin van de 18de eeuw in tal van steden als scherprechter actief. In 1744 werd ene François Botquin in Brugge tot scherprechter benoemd.

Van 1729 tot 1878 zijn de opeenvolgende scherprechters in Brugge aangesteld:
Van 1729 Adriaen Hondermarck, tot 27 december 1743.
Van 1744 Franciscus Botquin, tot 1753.
Van 1753 Pieter-Jan Botquin, tot 1798.
Van 1798 Hendrik-Jozef Botquin, tot 1803.
Van 1803 Franciscus-Josephus Guisen, tot 1809.
Van 1809 Jan-Willem Hannoff, tot 1818 
Van 1818 Jan-Baptist Botquin tot 1863


Die Jan-Baptist oefende zijn 'beroep' al uit vanaf 1818. De allerlaatste terechtstelling in Brugge gebeurde op 3 april 1862. Een zekere Pieter Acke had de weinig respectabele eer om de laatste misdadiger geweest te zijn die in Brugge onder de guillotine stierf.  Eén jaar later voerde de beul Jan-Baptist Botquin de allerlaatste terechtstelling in België uit.  Maar hij bleef nog in dienst tot aan zijn dood in 1878.  Hij moest toen alleen nog publiek de vonnissen bekend maken.

Door de openbaarheid van de executies had iedereen de kans om dit “fatale spektakel” met eigen ogen te gaan aanschouwen. Deze kans werd, zoals blijkt uit de verschillende krantenarchieven en de assisendossiers, door het volk ten volle benut. Op een document in het arrestenboek met de titel Pro Justitia, getuigde de griffier van het Hof van Assisen dat de executie volbracht was. Meestal werd er kort verwezen naar de aanwezigheid van “une grande réunion du peuple”  tijdens de executie...






“Reeds bij het krieken van de dag kwamen mensen uit alle uithoeken van de stad samen rond het schavot. Ze wilden zich verzekeren van een goede plaats, daarom was er de ochtend van de executie, rond 5 uur, al heel wat beweging in het centrum van de stad. Er waren zelfs mensen die van uren in de omtrek naar dit ultiem spektakel kwamen kijken.”

Toen Frankrijk aan het einde van de achttiende eeuw de Zuidelijke Nederlanden annexeerde, werd de guillotine, het symbool van de Franse revolutie, ook in onze contreien de executiemachine bij uitstek. De executie zelf werd door het toedoen van de guillotine herleid tot enkele minuten.
 
Het Journal de Bruges stelde dat “door de perfectie waaraan de machine onderworpen was, een mens er minder lang over deed om te sterven op een publieke plaats, dan om geboren te worden op een armoedig bed.”

Bij de guillotine aangekomen, besteeg de veroordeelde, onder begeleiding van één of meerdere priesters de trappen van het schavot. Op het schavot zelf werd de veroordeelde nogmaals gezegend door de priester en kon hij een laatste gebed bidden.
Hierna leverde de veroordeelde zich meestal gelaten over aan de beul. De veroordeelde werd door de beul op de fatale plank gelegd en zijn hoofd werd richting “lunette” geschoven. Hierna duurde het nog slechts enkele seconden vooraleer er “gerechtigheid” geschiedde, “La justice des hommes était satisfaite!

De griffier die aanwezig was tijdens de executie, stelde na afloop een proces-verbaal op van de gebeurtenis. De menigte verliet langzaam het plein, de beul nam het mes mee en de terechtgestelde werd naar zijn laatste rustplaats gebracht.

De benaming “beul” of “bourreau” zal men zelden tegenkomen in de officiële documenten. Het is eerder een term die in de omgangstaal werd gebruikt. Ook in de West-Vlaamse kranten, die verslag uitbrachten van de openbare executies, werden deze populaire termen gebruikt. Vroeger werden deze benamingen door de bevolking bedoeld als scheldwoord. De Franse beulen uit de late 17de en 18de eeuw verzochten zelfs aan de autoriteiten om het gebruik van de term bourreau wettelijk te verbieden.

Nadat men het in de 14de – 15de eeuw vaak had over “de kok”, “scherpkok” of “hangman”, werd de meest frequente term toch “scherprechter”, of soms ook “officier crimineel”.
In het Frans sprak men van “exécuteur de la haute justice” of “exécuteur des hautes œuvres”.  In het Nederlands werd dit “uitvoerder der hoge werken, meester van de hoge justitie of rechter met den zweerde”. Vanaf 1796 sprak men van de “uitvoerder van de criminele arresten van de rechtbank van het departement”. Na 1815 werd deze persoon de “uitvoerder van de criminele arresten in de provincie West-Vlaanderen” genoemd.

Jan Baptist Botquin bleef scherprechter voor West-Vlaanderen tot aan zijn dood. De beul woonde oorspronkelijk te Brugge, in de Vlamingenstraat 80, maar hij verhuisde na 1856 naar Brussel. Als gevolg van het KB van 18 juni 1853 werd het aantal beulen voor het hele Belgische grondgebied beperkt tot één hoofdbeul en twee helpers. Ze werden benoemd door de minister van justitie en dienden in Brussel hun domicilie te hebben.

Daar Botquin als enige beul in ons land benoemd werd diende hij dus te verhuizen naar Brussel. Jan Baptist Botquin overleed op 4 januari 1878 in zijn huis te Schaarbeek. Hij was de laatste van het geslacht Botquin die het ambt van scherprechter in België uitgeoefend heeft.
De Brugse scherprechters of beulen hadden ook assistenten, die ze aanvankelijk zelf dienden te betalen en die ze in hun eigen familiekring rekruteerden. Het is zo dat de kandidaat die het ambt van beulsknecht aanvaardde wist dat hij voortaan, net zoals zijn meester, aan de rand van de maatschappij zou moeten leven.

Daarom waren de looneisen voor een dergelijk risicoberoep buitengewoon hoog. De scherprechters werden hierdoor genoodzaakt om hun naaste bloedverwanten in de mate van het mogelijke als helpers te gebruiken. Deze waren immers voor hen de goedkoopste arbeidskrachten. Van een bijzondere roeping of aanleg voor het beulsambt was er dus geen sprake.

Naast het feit dat het ambt meestal overging van vader op zoon, hoewel het niet erfelijk was, viel er nog een andere eigenaardigheid te bespeuren bij de scherprechterfamilies. De meeste scherprechtergeslachten waren namelijk met elkaar verwant. Deze familiale band was het onrechtstreeks gevolg van de afschuw en de angst die de beul bij het volk inboezemde. Daarom was de beul vaak verplicht zijn echtgenote te zoeken in eigen kringen. 




Ook de scherprechterdochters konden met de grootste moeite aan een man geraken als ze niet in het huwelijksbootje wilden stappen met een collega van hun vader. Op deze manier werd er een soort “dynastie” van beulen gevormd die leefden aan de rand van de maatschappij.
Een bijkomend probleem voor de leden van een beulenfamilie was dat ze niet zomaar het beroep konden uitoefenen dat ze wensten. Het beulsambt vormde een onterende bezigheid en de meeste onder hen bleven dus gedoemd om het ambt van beul uit te oefenen. Tijdens het Ancien Régime bestond er vaak een hevige vijandigheid ten aanzien van de beul.

Zijn oneervolle status zorgde ervoor dat de scherprechters vaak ook letterlijk aan de rand van de maatschappij leefden. De mensen trachtten zo ver mogelijk bij deze beulen vandaan te blijven want een aanraking zou ongeluk en schande met zich meebrengen. De schande van de beul ging zelf zo ver dat er voorbeelden gekend zijn van begrafenisondernemers die weigerden, omwille van deze reden, een beul te begraven.





Wie meer wil weten over Openbare terechtstellingen in West-Vlaanderen (1811-1867) kan terecht op de scriptie van Marleen Dupont :
DEEL I: HISTORIEK VAN DE ALGEMENE FILOSOFIE OMTRENT STRAF EN DOODSTRAF: http://www.ethesis.net/terechtstellingen/terechtstellingen_deel_I.htm

DEEL II: DE WET EN DE DOODSTRAF IN HET 19de-EEUWSE BELGIË:
http://www.ethesis.net/terechtstellingen/terechtstellingen_deel_II.htm


DEEL III: EXECUTIES IN WEST-VLAANDEREN 1811-1867:
http://www.ethesis.net/terechtstellingen/terechtstellingen_deel_III.htm

dinsdag 25 november 2014

De legende van de witte dame van Brugge

Vanaf het ogenblik dat de schemering invalt tot omstreeks middernacht dwaalt de Witte Dame in de buurt van het Minnewater rond. Velen hebben haar al gezien, weinigen durven er over praten…

Nu nog weten oudere Bruggelingen te vertellen dat ze een Schotse lady was, gehuwd met een Franse officier. Maar op een dag was haar echtgenoot plotseling verdwenen. Er werd gefluisterd dat zij hem eerst bedrogen en betoverd en nadien vergiftigd had. Het waren maar geruchten, maar je weet hoe dat gaat… hoe meer er gefluisterd werd hoe meer het gerucht voor waar werd aangenomen. 

Hoe de dame in Brugge verzeild was, wist niemand. Ze had weinig contact met de stedelingen.
Na de dood van haar echtgenoot ging ze een teruggetrokken leven leiden in het Brugse Begijnhof. Slechts heel af en toe, na de mis, wisselde ze enkele woorden met de andere vrouwen die er woonden. Soms loerde ze ongeduldig door de gordijntjes, alsof ze nog iemand verwachtte, maar nooit kreeg ze bezoek. Ze ging vaak moederziel alleen in de stad wandelen. Men zag haar soms onder de bomen aan de Dijver, maar haar geliefkoosde plekje was de oever van het Minnewater en het Netelbos. Dat is het huidige Minnewaterpark. In de winter droeg ze altijd een lange vaalwitte mantel, in de zomer vaak een lang wit kleed, en dan had ze altijd een witte parasol in de hand. Ze werd gniffelend “de witte dame” genoemd.

Op een dag verdween ze. Het had dagen geduurd voor men besefte dat ze weg was. Men stelde een onderzoek in maar werd niet veel wijzer. Het huisje dat ze huurde was een toonbeeld van netheid en orde. Overal stonden portretten van haar Franse officier. Op de tafel stond nog een open inktpot. Er lag een briefje naast. Een soort afscheidsboodschap: ”Ik ga mijn lieve druïde zoeken. Vaarwel!”



Het mysterie van haar verdwijning werd nooit opgelost. Tevergeefs werd zelfs het Minnewater afgedregd. Maar als het donker is wordt haar schim hier en daar in het Minnewaterpark en aan het Minnewater opgemerkt.  Soms staat ze op de brug over het Minnewater, of duikt ze plotseling – geheel in het wit gekleed - achter een struik of een hoge boom op. Ze zwaait dan verlegen en vraagt smekend: “O lieve druïde, kom toch mee met mij.”  Van wie het ooit deed heeft men nadien nooit een spoor teruggevonden.  De anderen durven er nauwelijks over vertellen.  

Zou in het Minnewaterpark, in lang vergeten tijden, soms een druïdenbos geweest zijn? Ligt de Franse officier er begraven? Is ze de “Vrouwe van het Meer”, op zoek naar Merlijn? Of is ze één van de “witte wieven” die vroeger aan het Minnewater en het in het Netelbos ronddwaalden?






De Vrouwe van het Meer

De “Vrouwe van het Meer”  komt als personage voor in diverse verhalen over de legende van Koning Arthur. De Vrouwe in kwestie komt voorbij wanneer het zwaard Excalibur aan Koning Arthur wordt gegeven en wanneer de stervende koning naar Avalon wordt gebracht na de Slag bij Camlann. Ze zou de druïde, Merlijn, hebben verleid en zijn geliefde zijn geweest.




De Vrouwe van het Meer

Ook in Grubbenvorst (nabij Venlo) bestaat de legende van de Witte Dame. 

De witte vrouw van het gebroken slot.

Over de brokkelige muren van het stukgeschoten kasteel - het “Gebroken Slot” - bij Grubbenvorst zweeft  een witte dame rond, een vrouw die altijd een wit lijkkleed draagt, want eens zou zij ervoor hebben gezorgd dat iemand op het “Gebroken Slot” werd vermoord.
Op de ruïne is het enige wat men van haar kan vinden een klein wit pijpje waarmee zij rookt. Alleen 's nachts kan men het spook ontmoeten.

Het moet op zekere nacht gebeurd zijn dat een boer, die gezellig had zitten kletsen bij de buren, opstapte. Zijn buurvrouw waarschuwde hem dat hij niet langs de ruïne moest lopen. `Ik ben voor geen tienduizend witte wijven bang, als ge dat soms bedoelt,' zei de boer. En hij vertrok. Hij draaide zich nog eens om en riep lachend: `Ik zal nog even met dat spook gaan dansen!' Angstig keken de buren hem na.

Intussen wandelde de boer op zijn gemak naar huis. Toen hij in de buurt van de ruïne van het Gebroken Slot kwam, voelde hij zijn hart toch wat sneller kloppen. Het was er akelig stil. Plotseling zag hij een witte verschijning op de oude muren van het kasteel. De ‘witte dame’ kwam recht op hem af, greep hem plotsklaps vast en draaide met hem in het rond, zonder ook maar iets te zeggen.

De boer schrok zich een ongeluk. Hij moest dansen met de witte vrouw, of hij wilde of niet. Het werd een vreselijke dans, want de volgende dag vond zijn buurman hem dood bij de ruïne. Er lag alleen maar een klein wit pijpje naast hem.

Sindsdien zal niemand het 's avonds of 's nachts in zijn hoofd halen langs de ruïne van het “Gebroken Slot” te lopen...







De witte wieven.

De legende van de Witte Dame doet ook denken aan de witte wieven. Dat zijn mythische wezens. Het is de naam voor vrouwenfiguren die in sagen voorkomen en soms goedaardig, soms kwaadaardig zijn.

De witte wieven dansen over de heide of in het bos, hebben hun geld in hunebedden opgeborgen en weten precies waar kostbaarheden zijn verborgen in het bos. Ook komen de witte wieven voor bij moerassen.

Volgens de overlevering gaan ze vrijwel altijd in het wit of vuilwit gekleed, wat de naam zou verklaren. Er wordt een verband gelegd met wetende wijven, dus waarzegsters. In België is ‘Madame Blanche’ trouwens een synoniem voor een waarzegster. In Engeland zijn sagen bekend van ‘white women’, ook zij voorspellen geboorte en dood. De ‘banshees’ in Ierland voorspellen eveneens de dood, en in Duitsland kent men de ‘Weiße Frauen
.
Witte wieven werden ook wel als de geesten van heksen gezien of als andere vrouwen die kwaad gedaan hadden. Behalve in hunebedden zouden de witte wieven in kleine heuveltjes en terpen hebben gewoond. Ze hadden daar de in- en uitgang naar hun holen.

's Nachts kwamen ze langzaam zwevend tevoorschijn. In Overijsselse sagen zijn witte wieven feeën die verschijnen als witte nevels op heide en moerasgronden. Ze verleiden mensen ze te volgen, met als resultaat dat deze mensen voor altijd verdwijnen. Dit kan een verzachte versie zijn van het thema van witte wieven als aankondigers van de dood.


Het Minnewater te Brugge

Het huidige Minnewaterpark te Brugge
(foto:Emy Daelemans)











zondag 23 november 2014

De legende van Sint-Niklaas

In Brugge hebben we twee mooie beelden van Sint-Nicolaas: één beeld op de hoek van de Sint-Niklaasstraat en de Oude Burg, en één gevelsteen in de Steenstraat nummer 7.


 
In Koolkerke is er overigens ook een kerk die toegewijd is aan Sint-Nicolaas.


De legenden over deze Sinterklaas zijn onuitputtelijk. Wie heeft nooit de legende gehoord van de drie ingepekelde kinderen (studenten) die Sinterklaas opnieuw tot leven wekte?

De legende van de drie kinderen.

Op een dag kwamen drie arme studenten in Myra aan. Het was reeds zeer laat. Zij waren vermoeid van een lange reis en wisten niet hoe zij hun honger zouden stillen of waar zij hun vermoeide ledematen zouden uitstrekken die nacht. Geld bezaten zij niet. Zij waren naar deze grote zeehaven gekomen in de hoop hun kennis te verrijken en op één of andere wijze te kunnen voorzien in hun bestaan.

Zij kenden de roem van bisschop Nicolaas, die zij vereerden. Zij wisten hoe edelmoedig en hulpvaardig hij was. Maar zij waren bescheiden en te zeer met eerbied voor hem vervuld om hem zo laat nog lastig te vallen met hun zorgen. Zij besloten daarom die nacht onderdak te gaan vragen in de stad, daar zij geen nachtverblijf in één van de herbergen konden betalen.

Zo gingen zij gedrieën door de smalle straten van Myra, zoekend naar een verlicht venster, waarachter wellicht nog de bewoner waakte. Het werd later en later. Er steeg een koude wind op en zij wanhoopten reeds een onderdak te zullen vinden.

Toen zij eindelijk bij een slagerswinkel kwamen, waar zij door de vensters nog een vuurtje zagen gloeien in de open haard van de achterkamer. De slager, een nors, flink gebouwd man, vroeg op ruwe toon wat zij wensten.

Wij zijn moe en hongerig en het is al zo laat. Kunt u ons een legerstede en een maaltijd verschaffen, goede man?” vroeg de oudste van de drie.

Mijn huis staat niet open voor vagebonden als jullie” snauwde de slager hem op bitse toon toe. Daarop sloeg hij de deur met een harde klap voor hun neus dicht.

Mistroostig stonden de drie knapen in de donkere straat. De koude nachtwind blies door hun dunne kleren. Zij maakten zich reeds gereed om verder te trekken om te zien of andere bewoners hun meer genadig zouden zijn dan deze onvriendelijke man.

De vrouw van de slager echter, een hebzuchtig en wreed wijf, had het klagen der jongens gehoord. Zij had ook gezien, dat elk van hen een grote zak droeg. Daaruit maakte zij op dat de studenten hun schatten bij zich droegen en slechts bij burgers om onderdak vroegen uit vrees in de herbergen bestolen te worden.

Zij zei tot haar man: “Hoe dom van je, die jongelui weg te zenden. Heb je niet gezien, hoe zwaar hun zak was? De zaken gaan slecht en waarschijnlijk kunnen wij genoeg aan hen verdienen om onze schulden te betalen. Het laatste varkensvlees staat in de kuip en morgen zullen wij geen geld meer hebben om onze voorraad aan te vullen. Indien wij die studenten te eten geven, kunnen wij ons van hun schatten meester maken wanneer zij zullen slapen.”
De slager bedacht zich een ogenblik en ontgrendelde de deur. ”Jongelui…” riep hij, “kom toch maar binnen. Mijn vrouw zal u een maaltijd gereed maken en een bed spreiden”.

De studenten waren opgetogen over deze plotselinge verandering. Zij dankten de goede slager en klommen de ladder op, die naar de kamer boven de winkel leidde. Weldra dampte er een geurige schotel op tafel en stilden de drie knapen hun honger met een overvloedig maal. Daarna legden zij zich ter ruste en vielen weldra vast in slaap.

Nadat de slager en zijn vrouw zich overtuigd hadden dat geen der studenten meer wakker was, namen zij de zakken der knapen mede naar de achterkamer beneden. Groot was hun teleurstelling toen zij moesten ervaren dat de inhoud der zakken slechts uit boeken bestond.
Het is jouw schuld”, snauwde de slager tot zijn vrouw. “Hoe kon je ook denken, dat zulke jonge knapen op reis zouden gaan met schatten in hun zakken? Nu zijn wij ook nog het kostbare voedsel kwijt waarvan wij de volgende dagen moesten leven”.

De vrouw verbleekte van woede. Er speelde een wrede grijns om haar mond toen zij begon te spreken. “Zij zijn zo mals en vet als biggen”, zei ze, “en ze zouden lekker pasteivlees opleveren als wij ze slachtten”.

De slager bleef een ogenblik voor zich uit turen en beval toen: “Vrouw, haal mijn bijl, ik zal ze doden.”

Ja”, antwoordde de vrouw, “doe dat. En als je ze gedood hebt, zullen wij vannacht nog pasteitjes van ze maken, die wij dan morgen op de markt kunnen verkopen voor weinig geld per stuk. De knapen zijn dik en wel doorvoed en er zit vlees genoeg aan om tweehonderd klanten te bedienen. Met de opbrengst ervan zullen wij heel gemakkelijk een ander varken kunnen kopen.”

Zij haalden de bijl en samen slopen zij naar de kamer waar de drie knapen in al hun onschuld sliepen. Met één slag doodde de slager de één na de ander. Geholpen door zijn vrouw droeg hij ze daarna naar beneden en de hele nacht verliep met het maken van pasteitjes.
Deze werden onder in de kuip gelegd en bedekt met lagen pasteitjes gemaakt van het laatste varkensvlees dat de slager bezat. Heel vroeg in de morgen trokken de slager en zijn vrouw naar de markt om hun waar te verkopen.

Reeds begonnen vele handen zich uit te strekken naar hun waar. De kopers prezen zijn pasteitjes, die heerlijk gekruid waren en er fris uitzagen. Zij waren juist bezig bijna de laatste pasteitjes van de bovenste lagen te verkopen, toen plotseling Sint-Nicolaas voor hen stond.
Hij vroeg: “Slager, wilt gij mij ook wat van uw waar verkopen?”

De slager nam de laatste pasteitjes van de bovenste lagen uit de kuip en wilde ze aan de Heilige geven.

Gij hebt toch nog andere waar dan varkensvlees, slager?” zei de Sint op strenge toon.
De slager kon slechts sidderend ontkennen. Hij wist echter wel dat zijn woorden Sint- Nicolaas niet overtuigden. Want deze keek hem zo doordringend aan, dat de slager op zijn knieën viel en zijn misdaad bekende. Ook de slagersvrouw barstte nu in snikken uit en beleed ootmoedig haar schuld.

Toen sprak Sint Nicolaas een kort gebed uit over de pasteitjes die nog in de kuip waren. Nauwelijks was dit gebed geëindigd of ziet, drie gezonde, knapen rezen er uit op met gevouwen handen en een gebed op de lippen.

De goede bisschop maande hen aan, altijd dankbaar en godvruchtig te zijn, hetgeen zij beloofden en hun gehele leven lang volhielden. Daarop berispte hij zeer streng de slager en zijn vrouw. Zij gaven nooit meer toe aan hun hebzucht, hetgeen hen zeer gelukkig maakte.
Het nieuws over dit wonder verspreidde zich terstond over de stad. Het ging van mond tot mond. En sinds de dag vereren de kinderen Sint- Nicolaas als hun grote beschermer.





De legende van de drie meisjes.

De legende van de drie huwbare dochters duikt voor het eerst op in de "Vita per Michaelem", die gesitueerd moeten worden in de zevende of achtste eeuw. De Vita per Michaelem is de oudste levensbeschrijving van Nicolaas van Myra die bewaard is gebleven.

Nicolaas wordt beschreven als de zoon van welstellende, zeer gelovige ouders. In zijn geboorteplaats woonde een verarmde edelman.  Ooit had hij zeer welstellend en welvarend geleefd, maar toen zijn drie dochters de leeftijd hadden om te trouwen, was de edelman niet meer in staat de gebruikelijke bruidschat bijeen te krijgen. Omdat ze arm waren, wilde geen enkele jongeling met één van de meisjes huwen. Zelfs jonge mannen van lagere afkomst waren niet geïnteresseerd. Ten einde raad besloot de aan lager wal geraakte edelman de meisjes in de prostitutie te storten.

Dit kwam de jonge Nicolaas ter ore en hij vatte het plan op de meisjes van dit nakend onheil te redden. Toen de oudste dochter de huwbare leeftijd bereikt had knoopte Nicolaas driehonderd gouden Florijnen in een doek en gooide die 's nachts door het vensterraam binnen. Hij zorgde ervoor dat hij niet herkend werd. Toen de edelman de volgende ochtend het geld aantrof, was hij diep ontroerd en dankte God voor de onverhoopte redding. De dochter kon in het huwelijk treden en een eerbaar leven leiden.

Zodra de tweede dochter oud genoeg was, dreigde de edelman opnieuw in moeilijkheden te komen. Maar ook deze keer kwam de redding door het raam. De vader was zeer gelukkig en vroeg zich af wie de geheimzinnige weldoener wel kon zijn. Hij besloot elke nacht aandachtig te waken omdat hij vermoedde dat er ook voor de derde dochter een bruidschat zou volgen.
En inderdaad, Nicolaas daagde een derde keer op met een beurs vol goudstukken. Hij gooide de bruidschat door het raam, waarna de edelman onmiddellijk zijn huis uitliep en Nicolaas bijhaalde. Hij herkende hem en barstte in tranen uit van dankbaarheid.
(tekst: Veerle Verbeke)


Sint-Nicolaas schenkt de drie meisjes een bruidschat

ca 1500.
Duitsland, Stuttgart, Württ. Landesmuseum
Nicolaas schenkt goudklompen aan drie jonge vrouwen. 

Heeft er echt een heilige bestaan die Nicolaas heette ?

De historische Sint-Nicolaas was bisschop in Myra, de hoofdstad van de streek Lycië in Klein Azië, het huidige Turkije. Het is echter een misvatting om hem als Turk te betitelen, zoals vaak gebeurt, want Nicolaas was feitelijk een Griek.

Nicolaas van Myra leefde van ca. 280 tot … 6 december 342 (of 352). Volgens de legende stond hij al direct na zijn geboorte rechtop in zijn badje, met zijn handjes devoot ten hemel geheven. Alsof hij God dankte voor het wonder van zijn geboorte. Als volwassene ontpopte Nicolaas zich tot weldoener en wonderdoener en stond hij bekend om zijn wijsheid en vergevingsgezindheid.

De verering van Nicolaas begon in de oosterse kerken, in Griekenland en Rusland. Vanaf de 9e eeuw breidde deze verering zich uit over de rest van Europa, het eerst vanuit Italië. Christenen die werden verdreven uit Klein-Azië kwamen vaak in Zuid-Italië terecht.
In de dertiende eeuw krijgt de bisschop uit Klein-Azië ook een stevige voet aan de grond in West-Europa en werd zijn naamdag ook in onze contreien één van de belangrijkste feestdagen.

In 1087 werden zijn stoffelijke resten (grotendeels)meegenomen door Italiaanse zeelieden. Zij vereerden hem als hun beschermheilige. Zijn beenderen werden tentoongesteld in Bari, zuid-Italië, en zijn daar nog steeds, in een grote kerk die naar hem genoemd is.
In de middeleeuwen werd hij vooral vereerd als wonderdoener, redder in nood en huwelijksbemiddelaar.

Hij was o.a. beschermheilige (patroon) van zeelieden, handelaren, scholieren, huwbare jongeren, kinderen.

Sinds 1970 wordt Nicolaas van Myra door de kerk niet meer erkend als een heilige. Er is te weinig over zijn werkelijke leven bekend.

Meer over het leven van Nicolaas vindt U hier: http://www.lucepedia.be/asp/invado.asp?t=media_detail&id=18251&d_id=44


De aankomst van Sint-Nicolaas in Brugge


Het moderne Sinterklaasverhaal.
De moderne Sinterklaas is echter vooral een 19de eeuwse creatie van de Amsterdamse onderwijzer en schrijver van kinderboeken Jan Schenkman. In 1850 verscheen “Sint Nicolaas en Zijn Knecht”, met prachtige gekleurde prenten. Daarin komen alle tegenwoordig bekende elementen naar voren. De oorsprong van de Sint uit het katholieke Spanje en zijn komst met een toen hypermodern vervoersmiddel, een heuse stoomboot. Helper Zwarte Piet was ook van de partij, hoewel eerst nog niet onder die naam. Wel is hij uitgerust met een roede en een zak cadeautjes, waarmee hij door de schoorsteen naar binnenkomt.


Sint Nicolaas en  zijn Knecht


De Germaanse en Noordse oorsprong van Sinterklaas.

Sinterklaas heeft nogal wat verbanden met de Germaanse god Wodan en de Noordse Odin.
In de middeleeuwen werden onze contreien langzaam maar zeker tot het christendom bekeerd. De bekeerders namen de feestdagen ter ere van de heidense goden zoveel mogelijk over en gaven hen een christelijk tintje.

Zo namen de christelijke heiligen de plaats in van de oude goden. De gelijkenis tussen Sinterklaas en Wodan, de oppergod van de Germanen, is frappant: Hij is een oude, strenge en wijze vaderfiguur. Wodan had een lange, witte baard, droeg een wijde mantel en reed met een grote speer in zijn hand op Sleipnir, een prachtig wit paard. Hij beheerste bovendien de kunst om met dit paard door de lucht te vliegen (of over de daken te reizen). Hij werd bijgestaan door zijn trouwe knecht Eckart.



Soms daalde Wodan af door de schoorstenen van de huizen en strooide zaden om vruchtbaarheid te bevorderen. De overeenkomsten met het sinterklaasfeest zijn duidelijk. De speer werd een staf. De bezem (zie verder) werd de roe.  Deze symbolen staan voor respectievelijk waardigheid en vruchtbaarheid.

Eckhart is de Pan, de vroege heidense gehoornde koning van het woud, de Duistere, wispelturige sjamaan, natuurgeest van jacht, zang, dans, muziek en seks die populair bleef tot in de dagen van Shakespeare. De helper kon mannelijk of vrouwelijk zijn. Of allebei tegelijk, hij had vaak een bezem - het oeroude vruchtbaarheidssymbool - waarmee hij jonge vrouwen plaagde en later kinderen.


Het gooien van cadeaus in schoorstenen zou afstammen van Germaanse offerplaatsen (vuurplaatsen). Pakjesavond gaat ook terug op voorchristelijke gebruiken. Hoe meer geschenken men in het rond strooide hoe vruchtbaarder het land zou zijn.
Er zijn trouwens nog veel meer parallellen tussen de verering van Wodan en het Sinterklaasverhaal.

Zo schonk Wodan de mensheid de runen, het oudst bekende schrift gebruikt door de Germaanse bevolking, en kijk… Sinterklaas geeft chocoladeletters!
Bij de Germanen was de dichtkunst gewijd aan Wodan. Bij het sinterklaasfeest schrijven de kinderen gedichten.




Wodan was de beschermheer van de schoenmakers. Voor Sinterklaas wordt de schoen gezet.
De Germanen offerden gevlochten broden en broodkransen aan de goden. Dit doet denken aan de speculaaspoppen bij het sinterklaasfeest.

De Sinterklaasfiguur duikt in andere streken van Europa op in de vorm van een vrouw. In Italië is Sinterklaas Befana, een vrouw op een bezem die de huizen betreedt via de schoorsteen en offergaven in de vorm van voedsel aanvaardt. In sommige delen van Oostenrijk en Duitsland wordt deze vrouw Budelfrau of Berchtel genoemd.


De figuur van Zwarte Piet.

De laatste jaren is Zwarte Piet ongewild – en onterecht – in het oog van de storm terechtgekomen omdat hij volgens sommigen een racistisch rollenpatroon bestendigt.
Aan kinderen wordt dan gemakshalve verteld dat hij niet de zwarte slaaf is van de Sint, maar zijn vriend, die zwart is van door de schoorstenen te kruipen.


Volwassenen verdienen een betere verklaring. Zwarte Piet zit sterk verankerd in de Germaanse en Noordse tradities en wel op verschillende niveaus.

   -  De oorspronkelijke mythe van Wodan werd gemengd met de christelijke heiligenleer. De christelijke Sint-Nicolaas is bovendien een samensmelting van twee heiligen, één uit Myra in Klein Asië en één uit Pinora, die beiden ‘verchristelijkte’ watergoden waren. Het Vaticaans concilie van 1970 schrapte Sint-Nicolaas van de lijst van heiligen en bevestigde dat Sinterklaas een heidense oorsprong had.

   -  Huginn en Muninn zijn in de Noordse mythologie de twee raven van Odin.
Huginn (geheugen) en Muninn (gedachte) vertrekken dagelijks vanuit Asgard en vliegen over alle negen werelden van de Noordse mythologie. Aan het eind van de dag keren ze weer terug naar Asgard, gaan op de schouders van Odin zitten en fluisteren al het nieuws uit de verschillende werelden in zijn oren.

We vinden dit terug in de traditie van Sinterklaas. Een aantal Zwarte Pieten zou bij het vertrek van Sinterklaas achterblijven, en aan de Sint rapport uitbrengen over het doen en laten van de mensen.

   -  Ook had Wodan een begeleider en boodschapper, Oel. Hij speurde in de rookgaten naar offers voor Wodan en strooide de levenszaden uit. Volgens de Germanen verdween de maan bij zonsopgang in een zak, waaruit hij de volgende avond weer door Oel werd losgelaten.

   - Ook was Wodan vaak vergezeld van de rijm- of winterreus Nörwi. Deze zwarte Nörwi werd voorgesteld met een roede. De roede is echter een oud magisch vruchtbaarheidssymbool, gemaakt uit berkentwijgen. De roede werd gebruikt om zowel kinderen, vrouwen als koeien ritueel te slaan, om zo de levenssappen van de berk over te dragen. De roede en de bezem zijn dus oorspronkelijk fallische vruchtbaarheidssymbolen, en geen foltertuigen voor kleine kindjes zoals men ons wil laten geloven.

   - Tony van Renterghem toont in zijn boek When Santa was a shaman aan dat Zwarte Piet verwant is aan de heidense gehoornde God Herne, of Cernunnos, die ook over de onderwereld regeerde. In delen van Duitsland draagt Zwarte Piet overigens hoorntjes. In Beieren wordt hij Pelz Nickel genoemd, verwijzend naar zijn behaarde lichaam. Nickel staat hier opnieuw voor Niklaas, wat betekent dat Sinterklaas en Zwarte Piet twee verschillende aspecten van dezelfde paganistische God waren. Ook in Tyrol is hij een klein, donker behaard figuur met hoorntjes, die Klaubau wordt genoemd.




   -  Op donkere, winderige herfstnachten reed Wodan door de lucht met in zijn spoor het “Wilde Heir”. Het Wilde Heir bestond uit de gesneuvelde strijders die zwarte gezichten hadden omdat zij afkomstig waren uit de Onderwereld. Sinterklaas is Wodan en de zwarte pieten zijn oorspronkelijk gesneuvelde krijgers uit de Onderwereld, of nabootsingen daarvan. De Kerk probeerde in de Middeleeuwen de heilige Nicolaas (en elders Sint-Maarten) op de plek van Wodan als aanvoerder van het hemelse Wilde Heir te plaatsen. Het bleek een hardnekkig geloof: de schimmel en de zwarte mannen konden ze niet op een christelijke manier wegwerken. 

- Groepjes mannen bootsten Wodan en zijn Wilde Heir na en trokken in de dorpen rond. De nabootsers van het Wilde Heir werden ook door giften onderhouden, en evenals het Wilde Heir maakten zij geraas, stalen zij dingen ontvoerden zij jongeren die zij bij zich inwijdden. Hieraan zou volgens sommigen de zak van Zwarte Piet herinneren, en straften zij stamleden of brachten hun vruchtbaarheid. De gezichten der nabootsers waren meestal ook zwart gemaakt, met roet, zoals dat een onderwereldfiguur betaamde.

En de kritiek dan, die zegt dat Zwarte Piet een 19de eeuwse slaaf uit Afrika is? Die is onzinnig. Die zegt meer over de critici dan over de geschiedenis. Zij maken stuk voor stuk gebruik van onjuiste argumenten getuigend van gebrek aan inzicht en kennis van onze tradities. Want we hebben gezien dat de hiërarchische verhouding van de Klaas t.o.v. de zwarte begeleider allerminst is ingegeven door racisme. Dat tonen de vele vergelijkbare volksgebruiken elders in Europa, en de geschiedenis van de Wilde Jacht, Huginn en Muninn, Oel, Nörwi ... waarin de sinterklaasbegeleiders allen op geheel eigen wijze zwart gekleurd zijn.

Kortom… het hele Sinterklaasverhaal staat bol van de  mythologie en symboliek. Laten we het sinterklaasverhaal koesteren. Anders raken we de oorspronkelijke betekenis kwijt. Piet is helemaal geen zwarte slaaf! 

Vergelijk hem met de nar in King Lear: hij kan als enige de waarheid zeggen. Hij is vrij. Hij helpt ons herinneren dat we mogen lachen en spelen. Hij is de instinctieve natuur, diep in ons verborgen en ja, vaak duister... Lang leve Zwarte Piet. Het is niet voor niets dat kinderen dol op hem zijn!


Taaladvies.

Als Zwarte Piet verwijst naar de ‘knecht’ van Sinterklaas, is het een eigennaam. We schrijven Zwarte Piet dan met hoofdletters. Bijvoorbeeld: “Zwarte Piet gooit snoepjes naar de kinderen.”
Maar…de naam van Zwarte Piet wordt soms gebruikt om verschillende personen aan te duiden die voor Zwarte Piet spelen. In dat geval schrijven we zwarte pieten met kleine letters. De benaming is dan een soortnaam. Bijvoorbeeld: “Overal op straat zagen we zwarte pieten lopen”.

In de betekenis van 'schoppenboer' schrijven we zwartepiet met kleine letters en in één woord. We schrijven kleine letters omdat zwartepiet niet meer naar een unieke persoon verwijst. Zwartepiet is dan een soortnaam. Bijvoorbeeld: “Je kunt het op je gezicht aflezen als jij de zwartepiet hebt.”

Ten slotte is ook de schrijfwijze zwarte Piet mogelijk, namelijk wanneer die letterlijk gebruikt wordt: iemand met de eigennaam Piet die zwart is. Dat gebruik komt niet vaak voor. Bijvoorbeeld: “ We zullen zwarte Piet snel eens een badje geven.”


zwartpiet                                                    en                                            Zwarte Piet



De Sint-Niklaasstraat te Brugge.

De straat, een steeg eigenlijk, heette oorspronkelijk Mostaertstraetkin. In 1394 werd er een godshuis opgericht, dat als patroonheilige Sint-Nicolaas kreeg. De oprichter ervan was de koopman Nicolaas Pagant, die hiermee zijn eigen patroonheilige eerde. Het door hem opgerichte godshuis was bestemd om aan arme ambulante kooplieden een onderdak te verschaffen.

Stilaan verdrong het aanwezige godshuis de oorspronkelijke naam, zoals blijkt: 1542: Mostaertstraetkin dat men heet Sint-Niclaesstraetkin.

Het Brugse ambacht van de 'merseniers' (handelaars in garen en band), van wie de heilige Nicolaas de patroonheilige was, hield zijn kerkdiensten in de kapel van het godshuis en hield er ook zijn bijeenkomsten.

Toen na de Franse Revolutie de burgerlijke overheid het goed beheerde, werd het godshuis aangewend voor de verpleging van onder meer venerische ziekten. In 1889 werd het gebouw door de stad Brugge aangekocht en afgebroken. Hiermee werd de straat langs de kant Oude Burg verbreed, maar bleef aan de andere kant een nauwe steeg.

Op de kaart van Marcus Gerards uit 1562 is de Sint-Niklaasstraat en de Sint-Niklaaskapel duidelijk te zien.





B&B Sint-Niklaas
In de Sint-Niklaasstraat, die van de Oude Burg naar de Steenstraat loopt, is er ook een gelijknamig B&B gevestigd. http://www.sintnik.be/index_ned.html
Info:   Anne Windels
          Sint-Niklaasstraat 18
          8000 Brugge
          tel +32 [0]50 610 308
Wil u meer weter over Sinterklaas? http://www.seniorplaza.nl/Sinterklaas.htm

De intrede van Sinterklaas in Brugge op 23 november 2014